Molen Fortuna Noordhorn
Welkom > De molenaar vertelt > Brand in Fortuna 1628

Brand in Fortuna 1628

Onderstaand verhaal is van een onbekende schrijver

De brand in het molenhuis van de Fortuna in het jaar 1628

Dit verhaal speelt zich af rond de molen Fortuna in het dorp Noordhorn te Groningen. Molens,†† netalsoude†† huizenenzeilschepenhaddenenhebben†† eeneigen geschiedenis, een eigen karakter en misschien wel een eigen ziel. Soms, maar je moet er gevoel voor hebben, kun je die oude verhalen horen. Een enkele keer van een oude beroepsmolenaar.

Het beste hoor je ze van de molens zelf. Als de wind in de herfst ruimend omloopt van zuidwest via west naar noord≠west en openlijk agressief aanwakkert van hard naar stormachtig tot storm ga dan, bij voorkeur alleen, boven in de kap zitten met de rug tegen het bovenwiel, dat zich kreunend probeert te bewegen, maar niet weg kan geketend als het is door de roeketting en de stormstutten. De stormluiken gaan gierend te keer. Het achterkant (het lichaam van de molen) zal traag en niet geluidloos zich bewegen.Het wiekenkruis steekt ais een grote reuze antenne - voor - uit de molen. Dan worden de meest oude en verre verhalen door de molens aan elkaar doorgege≠ven. Schrijf, met een ouderwets houten potlood, in een oud schoolschrift, al dan niet beduimeld, bij het licht van een steeds zwakker wordende zaklantaarn op wat je hoort. Niet iedereen kan deze verhalen opvangen. Niet iedereen luistert op dezelfde golflengte en niet iedereen is even selectief.

Het verhaal dat ik u nu vertel heb ik, de vrijwillige molenaar van de Fortuna, opgeschreven in de laatste stormnacht van februari 1991. Het is niet in 1783 gebeurd, maar in 1621. Het gaat over de molen, die voor de Fortuna op die plaats stond.

In die tijd, 1621, bezat de Jonkheer van Noordwijk (de borg Noordwijk is ongeveer in 1780 gesloopt) het heerlijk recht van wind en water. De voorganger van de Fortuna was dan ook een dwang molen (alleen daar mocht gemalen worden op grond van dit heerlijkheidsrecht). In 1621 benoemde de landjonker van Noordwijk een nieuwe molenaar. (De oude molenaar was naar het Westen, de Zaanstreek, getrokken waar hij meer kon verdienenomdat,toenal,†† het particuliereinitiatiefdaarbetergewaardeerd werd). De nieuwe molenaar was een propere,hardwerkend man, die bovenalzuinig was.Hij deed het werk op de molen samen met een gezel molenaar en een leerling molenaar. Hij was getrouwd en de molenaarsvrouw was, zo leek het aanvankelijk, een normale ordentelijke dorpsvrouw. Het echtpaar had geen kinderen. Naarmate de jaren verstreken, won de molenaarsvrouw aan schoon≠heid en uiterlijk vertoon. De molenaar merkte dit niet op. Hij was te zeer met z'n molen en het geld bezig.

In het dorp (Noordhorn) viel het op dat de molenaarsgezellen hooguit een half jaar op de molen werkten en dan spoorloos verdwenen. Er was toen zelfs nog geen dorpsveldwachter. Men sprak hierover na kerktijd en 's-avonds thuis. Zeker op winteravonden als de wind om de huizen gierde. In januari 1628 had de molenaar ook een nieuwe leerling gekregen. Deze viel op door zijn helder verstand, zijn slimheid, zijn objectieve kijk op de dingen. Maar bovenal omdat hij wijs was (hij had veel boeken gelezen en hij kwam ook uit Gelderland). Februari is een maand van veel wind en stormen. De februari-maand van 1628 kenmerkte zich door extra veel en zware stormen. De leerling die met de gezel in de veestal sliep, bemerkte onrust bij de gezel. De molenaar zou op 27 februari het Hoge Land opgaan om met de boeren daar af te rekenen en nieuwe afspraken te maken. Hij zou 28 februari weer terug komen en de nacht in Usquert doorbrengen (kan ook Zeerijp of Warfhuizen zijn).

De molenaarsvrouw als je die zag, dacht je dat het op z'n minst al lente was. Hoewel een volle rijpe zomer, geur van .vers hooi en rijpe vruchten, eerder in aanmerking kwam. Ook dit zag de nieuwe leerling en daar hij bovenal wijs was begreep hij ineens veel meer dan dat hij tot dan toe begrepen had. En het werd hem geheel duidelijk, toen de molenaarsvrouw hem veel geld gaf om die avond in de herberg aan de overkant (de waard heet Sipzoon) een stevig glas wijn te gaan drinken en niet voor de volgende morgen op de molen terug te komen. Hij wist dan ook wat hij moest doen toen hij, onopgemerkt, getuige was van de af≠spraak welke de molenaarsvrouw met de gezel maakte, om elkaar om 0.00 uur 's-nachts te treffen op de steenzolder van de molen.

Na het, karige avondeten, de molenaar was al vroeg vertrokken, nam de leerling de gezel mee naar de herberg van Sipz. Daar hij geld genoeg had tracteerde hij de gezel overmatig, op de onversnede, koppige en zware wijn. Zelf dronk hij melk. Na korte tijd zakte de gezel onder de zware eiken stamtafel. De leerling gaf de waard enige ducaten extra en verzocht de waard de gezel niet voor de volgende morgen wakker te maken. Als een goede herbergier gaf Sipzoon zijn woord hierop. Voorzien van tondeldoos, een stevige eiken stok en een houten kruis ging de leerling de molen in en verborg zich in het rommelhok dat op de noordoost kant van de steenzolder was en is. Door een gat in de plank waar een noest had gezeten, kon hij de steenzolder overzien.Tot een voor twaalf hoorde hij niets, maar zag hij wel de molenaarsvrouw de zolder opkomen. Hoewel het leek alsof zij honderd brandende kaarsen bij zich had, droeg zij slechts een kaars in de kandelaar. Het tweede koppel stenen lag open om schoongemaakt en gebild te worden. De loper lag met het scherpsel naar boven, onder de steenkraan. Midden op de ligger, met haar voeten naast de bolspil, bleef de molenaarsvrouw staan. Exact bij de twaalfde slag van 12 uur, was het licht weg en ook de vrouw. In plaats daarvan een fluoriserend licht dat uitstraalde van een grote pikzwarte kat. Een kat die met z'n groene ogen dwars door de planken van het rommelhok heen keek naar de leerling. Deze voelde dat hij geen weerstand kon bieden. Bovendien maakte de kat een dusdanig verleidelijk geluid dat de leerling slechts een ding kon doen, en wel opstaan en naar de grote glinsterende smaragd groene ogen toegaan. Even kwam de steenkraan als een schaduw tussen de leerling en de poezelige, bekoorlijke, onverklaarbare en ongrijpbare verleiding. Als bij bliksemslag realiseerde hij zich alles en sneller dan een bliksemschicht greep hij de net geslepen vlijmscherpe bilhamer en wierp die naar de kat en trof het beest op de linker voorpoot onder het gewricht. In een tweede reactie wierp hij ook het houten kruis. Een vreselijk gekrijs en onmenselijk gehuil was het antwoord en sneller als ogen kunnen zien verdween de kat door het openstaande kistraam. De leerling ging op de steen zitten en keek naar de met bloed bespatte hamer. Een groot gevoel van tevredenheid trok door hem heen en hij viel op een stapel zakken in slaap. Kort daarna moet het geweest zijn dat hij wakker werd door hoefgetrappel. Het waren vreemde paarden. Pikzwart en vurig, die voor een licht rijtuig stonden. De koetsier was al in het molenhuis. Een barse, norse afgebeten stem en het jammerende geluid van de molenaarsvrouw botsten tegen elkaar. De vreemdeling kwam naar buiten, een grote zwarte hoed, een grote zwarte baard en een reusachtige zwarte vleermuisachtige mantel waaierde om hem heen. Nauwelijks zat hij, het rijtuigje veerde niet in toen hij ging zitten, of de paarden zettenaanen sneller danineenoogwenkwarenzeuit deSchipperstraat verdwenen. Rond zeven uur die ochtend kwam de molenaar thuis. Tevreden, want hij had goede zaken gedaan. Samen met de gezel, die hij uit de herberg en de leerling die hij uit de molen gehaald had ging hij het molenhuis in om koffie te drinken. Op zijn roepen reageerde niemand. In de bedstee lag de molenaarsvrouw; om haar linkerarm zat een doorbloed verband dat ophield bij de elleboog. Buitenwashetbladstil†† geworden;†† zeerongewoonvoorfebruari.†† Meteen knetterende donderslag sloeg de bliksem in het wiekenkruis.Het vuur werd door de binnenroede doorgegeven aan de schoorsteen van het molenhuis, dat in korte tijd in lichte laaie stond. Vreemd genoeg brandde de molen niet. Na de brand is er van de molenaarsvrouw niets terug gevonden. In de bedstee lag het geraamte van een grote kat, die het voorste deel van de linker voorpoot miste. De molenaar is kort na de brand op een schip van de V.O.C, naar een ver land gegaan. De 'wijze' leerling werd molenaar en liet in 1629 het molenaarshuis in de huidige staat herbouwen en heeft er heel lang en gelukkig geleefd. Hij was geacht bij heel het dorp. Dit is het verhaal over de eerste (en hopelijk laatste) brand van het molenhuis in de Schipperstraat te Noordhorn in 1628. U vindt het niet vermeld in de officiŽle archieven, het berust deels op flarden van gelezen sagen en legenden, deels op fantasie. Maar voor het overgrote deel op echte fluisteringen van het verleden.

"Slotopmerking, maar dit heeft niets met bovenstaande te maken, molenkabouters bestaan echt, maar daarover de volgende keer.