Molen Fortuna Noordhorn
Welkom > De molenaar vertelt > Oud molenaar E. Bakker vertelt:

Oud molenaar E. Bakker vertelt:

"Wat ik over de Noordhorner molen weet is ook veel van overleve­ring. Volgens gezegden is dit de derde molen in Noordhorn. De eer­ste moet zijn gebouwd in 't laatst van de achttiende eeuw. Die molen is gesloopt omstreeks 1830. Er is weer een nieuwe molen gebouwd, welke in 1890 afbrandde. In de dertiger jaren, een dikke zestig jaar geleden dus, heb ik wel vaak met oude Noordhorners gepraat, die zich de bewuste molen nog zeer goed konden voorstel­len. Het was een lage stellingmolen waarbij de stelling gestut werd met recht opstaande palen vanaf de grond en dus niet als heden met schorenpalen. Een oude Noordhorner wist te vertellen, dat ze een keer met één wagen tegen zo'n paal aangereden waren, en dat er toen een gedeelte van de stelling naar beneden kwam. Geen won­der dus dat Klaas Homan (de molenaar) "het geval" (de molen) wel zat was. Over de molenbrand van 1890 deden veel roddels de ronde, maar er viel niets te bewijzen. In Grijpskerk werd een molen gesloopt, die in de buurt van het gemeentehuis moet hebben gestaan. Een oude molenmaker herinnerde zich deze molen nog zeer goed. De molen is toen verhuisd naar Noordhorn. Vanzelfsprekend alleen het achtkant en het binnenwerk (dus niet de gemetselde romp). Dat was in die tijd een hele klus, omdat alles nog met paard en wagen vervoerd moest worden, zoals de acht-kantstijlen, de roeden en de maal- en pelstenen. Later heeft de zoon Tiemen "het geval" overgenomen van vader Klaas Homan. Maar Tiemen kon het niet bolwerken en ging failliet. Hij kan ze niet betalen zong de jeugd, want hij heeft ze niet. De molen werd verkocht aan beurtschipper Auwema en kommissionair Wieringa. Het ging toen zoo'n gangetje met de molen, want er was geen geregelde molenaar. Ze kregen ook nog een goed bod om de molen te slopen. Een kermisreiziger kon het hout van de molen gebruiken voor stophout onder gebouwen. Tenslotte is de molen in 1916 overgenomen door Jan Muda, vader van de overleden Muda uit Den Andel (augustus 1986). Het was nog in de oorlog 1914-1918. Muda was een flinke rasechte molenaar en heeft nog goed "gemul-derd".

Foto uit de collectie van Tj. van Hoogen met oudmolenaar E. Bakker op de stelling.

Maar toch wilde hij de molen wel kwijt. Muda was een flinke "mul­der" maar geen handelsman. Hij ging niet de boer op om te verko­pen en na de oorlog van 1914-1918 kwam dat al meer in zwang, ook al door de concurrentie van motorbedrijven en fabrieken. Zodoende werd mijn vader (Kornelius Bakker) eigenaar van de molen in janu­ari 1928. Bijna 70 jaar geleden werd het molenhuis met ongeveer 10 are en de goed beklante molen voor 8.500 gulden verkocht. Toendertijd was het loonend om met een windmolen te werken omdat de onderhoudskosten zich wel "oplosten". De molenmakers kosten toen 60 cent per uur en voor een hectoliter malen werd 30 cent betaald, zodat we dus 2 hectoliter moesten malen om de molenmaker te betalen. Als je dat omrekend met een uurloon van 60 gulden, dan zou een hectoliter malen nu 30 gulden moeten kosten. Dat lijkt dus nergens op, geen mens of boer kan dat meer beta­len. Vader had direct al een harde noot te kraken, want hij moest de boer op om te verkopen. Aangezien er veel weiland beschikbaar was, waren er veel veeboeren en daar moest de molenaar het van hebben (veekoeken). Toendertijd waren er maar eventjes 4 "maalde­rijen" in Noordhorn en Zuidhorn. In Noordhorn stond naast onze molen nog de molenmaalderij van Jissing (grondzeiler). Vervolgens was er de firma Luth net over de brug, waar nu Kuipers zit en dan was er nog de molen van Zuidhorn tegenover het Zonnehuis. En dan had je de Gebr. Wieringa in Grijpskerk en in de buurt van Enumatil stond ook nog een molen, zodat er veel concurrentie was. Vader heeft de zaak geweldig opgewerkt ondanks deze moordende concurrentie. Mijn oudste broer en ik hebben hard moeten werken en we maakten lange dagen en ook veel nachten moest er gemalen worden als er voldoende wind was. Hoewel er in 1930 al een electro-motor geplaatst was, hebben we toch nog veel 's nachts moeten malen, want stroom kostte geld zei vader altijd en de wind hebben we maar voor het vangen. Ja, in die tijd stond de molen niet anders stil dan met windstilte. Toen werd er nog echt gemalen. Ik herinner mij de winter 1930-1931, waar we veel weken hebben gehad waarin we 400 zak van 50 kg konden malen. We moesten vanzelf ook vaak billen (maalstenen scherpen) en op zo'n manier word je echt getraind tot molenaar. Vader was geen gemakkelijk heer, er moest gewerkt worden.In 1932 tekende vader een contract met "Electriciteit" in Groningen. We moesten tekenen voor een afname van 5000 kilowat voor 5 cent per kilowat en daarbij kregen we nachtstroom voor 2.5 cent (goed­kope stroom dus), welke we van 10 uur 's avonds tot 6 uur 's mor­gens konden gebruiken. Ook 's middag tussen 12 en 2 uur hadden we goedkope stroom. De wieken stonden zodoende vaak stil als er weinig wind was, want dan kon je veel voordeliger met de motor werken. Na de roedebreuk met Pasen 1936 had de molen nog maar één roede. Vader voelde er weinig voor om weer een nieuwe roede te "steken". We konden immers verder met de motor. Doch in het dorp vonden ze het niet zo mooi gezicht een molen met één roe. In 1937 werd een actie op touw gezet voor een nieuwe roe en die bracht 250 gulden op. Tussen Zuidhorn en Enumatil stond een poldermolen die gesloopt werd om vervangen te worden door een gemaal met een Bronsmotor. Eén roe was zeer goed en die kwam in de molen van Noordhorn terecht. Het was een beste roe, maar ech­ter te kort, zodat er aan ieder eind een omhulsel van 1.25 meter bevestigd werd. Voor een graanmolen was deze roe feitelijk te licht, maar toch heeft hij het 25 jaar volgehouden. In augustus 1937 maal­den we dus weer met 2 roeden. In die tussentijd waren ook 2 nieu­we maalstenen geplaatst aan de westzijde. Later kwam er nog een koppel maalstenen op de eerste zolder, die door een motor aange­dreven werden. Hier stond ook nog een mengmachine. Ook was er een koekenbreker aangeschaft voor het breken van de "voorslaglijn-koeken". Zo hebben we door gewerkt tot aan de oorlog 1940-1945. In de oorlog had je veel klandestien werk, gort pellen en tarwe malen. Van overheidswege was dat verboden, maar je woont in een

Foto uit de coilectie van Tj. van Hoogen

dorp en de mensen willen graag geholpen worden. Maar het risico was groot dat je gepakt werd en de straffen waren niet mals. De molens moesten weer aan het werk, want alles was schaars behalve de wind. We kregen een toewijzing van 5000 kg gerst dat we iedere maand moesten pellen. Nou dat was dik in orde. Als de controle dienst kwam dan was je gedekt en op die manier kon er nog wat clandestien bij doen. Later kregen we ook een toewijzing van tarwe voor het malen van volkorenmeel. In juli 1945 hebben broer Roelf en ik de "zaak" overgenomen voor 17000 gulden. Onze vader liet er 6000 gulden op staan als eerste hypotheek. We konden het benodigde geld ergens lospeuteren. We hebben na de oorlog een goede tijd gehad. Maar je had ook tegenslagen en meteen al de eerste dag, dat je als zelfstandige aan het pellen was. Er stond een beroerde "zeer stoterige" wind uit het zuid-westen, de stenen wer­den zwaar belast en op een gegeven moment kraakten de kammen van het takkerad (spoorwiel). Nou, die grap heeft ons toen 1000 gulden gekost. Na die tijd konden we verder draaien met nieu­we kammen en staven. Ook de schijf liep wel eens stuk. We hebben zelf ook veel kosten aan de molen gehad, maar in die tijd konden we ons zelf bedruipen. Nog iets uit 1933 toen vader nog molenaar was. Tijdens het malen met ruw weer brak de spil van de maalsteen aan de westkant midden door. Toen is de huidige spil er opgeko­men, afkomstig van een molen uit Leek, die afgebroken was. De spil staat er nu al 64 jaar en toen was ook al geen nieuwe. In 1946 is er een nieuwe ijzeren vang aangebracht. Deze zit er nu nog in en doet het hopelijk nog goed. Het was een heel karwei met het aanbrengen van de nieuwe vang. Het bovenwiel was niet zuiver rond en moest bijgeslepen worden. Eerst moest het "beleg" van de remvoering er af en toen werden er beitels tegen het wiel geplaatst en kon het werk van het slijpen beginnen. De molen draaide zonder vang en dat heeft 2 dagen geduurd. Er was een mooie regelmatige wind en beide koppel stenen stonden in het werk. Op deze manier had je met de zelfzwichting de molen wel in de macht, 's Nachts werd een ket aan de roe gelegd.

Toen het nieuwe beleg erop zat (remvoering) en de vang eromheen gelegd was moest er eerst nog proefgedraaid worden want alles moest nog afgesteld worden. Enfin de vang was prima. Mijn erva­ring is dat je met een ijzeren vang anders moet omgaan dan met een houten vang. Een houten vang moet je langzaam laten zakken, maar een ijzeren vang kun je vlugger laten zakken en daar zijn meer molenaars het over eens. Door het draaien wordt de ijzeren vang warm en pakt hij hem en dan moet je lichten. Je verneemt het wel aan de vangket. Een voorval afkomstig uit 1953, de dag voor de overstroming in Zeeland. De hele morgen had ik al gemalen. Het ging er hard aan toe. In de middag was het weer veel slechter geworden. Ik dacht, ik leg de vang erop. Op de stelling stond de zelfzwichting helemaal open. Ik liet de vang helemaal zakken, maar de molen liep gewoon door. Het zat mij niet lekker toen opeens een rilling in de vang optrad. Ik liet de vang vlug iets lichten en ja hoor de vang had hem te pakken. Spoedig stond de "kast" stil. Toen de nieuwe vang in 1946 klaar was zei de molenmaker dat je nu de molen altijd wel kunt houden, zelfs met de kwaadste storm. Ik zei toen "snak" maar niet te hard, want het moest eerst nog bewe­zen worden. Nou dat bleek later in maart 1947. Toen zijn een drietal molens verongelukt door een slechte vang. Maar de Noordhorner molen was geen streep vooruit gekomen, dus de vang was prima. In 1947 bleek ook de buitenroede niet best meer te zijn, dus die moest vervangen worden. We hadden een 50 pk electra motor, dus we konden ook zo malen. De motor stond op de 2e zolder in de noordwesthoek. Vandaar een riem naar drijfwerk met kamwielen in een lange spil naar boven in de zuidwesthoek met een schijfloop in het takkerad. Vier jaar heeft de molen met één roe gestaan van sep­tember 1947 tot october 1951. Van allerlei instanties werden we benaderd om de molen weer te restaureren want er moest meer gebeuren dan alleen een nieuwe roe. We voelden er absoluut niets voor om weer met de molen aan de slag te gaan. Na veel gepraat kwam het nog weer goed voor de molen. Inwendig voelde ik ook wel voor de restauratie omdat ik wel van een molen hield. De res­tauratie kostte bijna 13.000 gulden. Zelf moesten we 6.000 gulden ophoesten. Daar gingen we accoord mee, want het scheelde ook nog in de belasting. Er werd een nieuwe zgn. Bremer-roe met zelf-zwichting geplaatst (buitenroe). Verder werden een nieuwe korte spruit, een nieuwe windpeluw, nieuwe kammen in het takkerad en azijnhouten kammen geplaatst. Ze hadden het maar 6 jaar volge­houden. Ook is het achtkant gedeeltelijk van nieuw kleedhout voor­zien en de stelling is opgeknapt. Die 13.000 gulden van toen zou nu wel 10 keer over de kop zijn gegaan, denk ik zo. Maar we konden weer verder. Met een windmolen ben je nooit klaar, het zijn bewer­kelijke en dure "dingen" in het onderhoud. In 1962 begon het al weer. De roede van 1937 moest vervangen worden, de kap moest ook onderhanden genomen worden, de stelling was scheef getrok­ken en moest weer recht gezet worden. Een en ander kwam toen op 6.000 gulden en zelf hadden we 2.000 gulden toegezegd. En daar­na is de molen weer gerestaureerd. De roede met de fokwiek is toen gestoken en ook de omloopketting voor het kruiwerk is geleverd. De molen is toen opgeschilderd door een schilder uit de stad. Toen hij klaar was heb ik hem een mooie plank meegegeven. Daar moest de naam van de molen opgeschilderd worden, maar wel met een nieu­we naam. Met de gebruikneming in 1951 had de molenmaker een bord aangebracht met de naam "De Specht". Ik was woest zeg, want hoefde er niet meer met de ]molenaar overlegd te worden? Het bord is geplaatst en ik heb het al snel over geverfd, maar de molen is wel l met deze naam geregistreerd helaas. Ik had de schilder uit de stad een papier meegegeven met de nieuwe naam "De Fortuin" en geen Fortuna dus. Toen het bord later terug kwam, had de schilder er "Fortuna" opgeschilderd. Ik heb die kerel uitgescholden, maar heb het erbij laten zitten. Maar hoe kom ik aan de naam "De Fortuin". De grote Wessanen van Wormerveer maalde tot 1900 met de Fortuin en de Adriaan en ook in Hattum achter Zwolle had je ook nog een molen Fortuin. Ik erger mij nog wel eens als ik de naam Fortuna zie. Wij hadden altijd al andere plannen in het hoofd met de molen en het molenhuis. Naast het molenhuis stonden vroeger 2 huisjes of feitelijk een dubbele woning, links in de Schipperstraat. Dat huis hebben wij toen gekocht met het doel het te slopen, het­geen ook de bedoeling van het molenhuis was. In de plaats daar­voor zou een flink pakhuis gebouwd moeten worden met een com­plete maalderij en verder toebehoren. Ook de molen zou dan moe­ten verdwijnen, we hadden namelijk alle ruimte nodig voor ons bedrijf. Doch, zoals altijd, we hadden helemaal geen medewerking van de gemeente Zuidhorn, die ons altijd dwars gezeten heeft. Mijn broer woonde toen in de Langestraat (gouden hoekje). Daar hebben we toen een flinke loods achter het huis gebouwd. Dit staat er nu nog en is 16 bij 24 meter groot. Dit kostte in die tijd (1960) 22.000 gulden. In 1964 zijn mijn broer Roelf en ik in goede ver standhouding uit elkaar gegaan. Ik heb toen nog enige jaren gewerkt bij het mengvoederbedrijf U.T.D. te Hoogkerk. Het valt niet altijd mee om als zelfstandige weer in loondienst te gaan. Ik ben toen verhuisd naar de Gast in Zuidhorn. Broer Roelf heeft molen en molenhuis met een oppervlakte van in totaal 10 are verkocht aan de gemeente voor 17.000 gulden (1971). Toen ging het snel berg afwaarts met de molen. De omwonenden sloegen alarm, nadat met een storm enige stukken naar beneden kwam. In ons dorp werd een commissie opgericht, de voorloper van de tegenwoordige molen-commissie. Dat heeft tot gevolg gehad dat de restauratie in 1982 plaats vond. Het molenhuis was al eerder gerestaureerd. De vier molens zijn nu "dure speelgoedjes" voor de gemeente Zuidhorn."

Einde relaas oud molenaar E. Bakker (overleden 2003)

Gebr. Bakker waren eigenaar van de molen van juli 1945-1964.